Stefan rent

“Rustig! Rustig aan!”, fluistert Stefan tegen zichzelf. Zijn benen stoppen en met een hangend hoofd kijkt hij naar zijn schoenen. “Ik heb geen haast. Het is rustig en ik geniet. Ja, dat moet wel. Ik geniet”, hoort hij zichzelf op een belerende toon zeggen. Vandaag zou wel eens de laatste mooie dag van de nazomer kunnen zijn. Zijn collega’s vertelden hem al dat hij wat meer rust moest nemen. “Als je je wilt ontspannen, ga dan gewoon ‘ns lekker een stuk lopen!”, zei Femke tegen hem. “Ja, Femke. Maar die voert geen reet uit. Ik daarentegen, ik…” Hij haalt diep adem. Rustig kijkt hij vooruit. De landweg is kaarsrecht. Links en rechts staan statige hoge bomen. In de horizon lijken ze samen een pijl te vormen. Een pijl die naar Stefan’s doel wijst: de torenflat van 12-hoog. Stefan woont op de derde verdieping. “Want als er ooit brand uitbreekt, dan ben ik tenminste snel weg. Ik hoef geen uitzicht vanaf de twaalfde verdieping”, zei hij vorig jaar tegen de makelaar.

 

Stefan draait langzaam zijn hoofd naar links en kijkt pseudo-geïnteresseerd naar de grote berk naast hem zoals een cultuurbarbaar naar conceptuele kunst zou kijken. “Het is een boom, ja”, denkt hij. Maar echt geïnteresseerd is hij niet. “Ik moet gewoon naar huis lopen en dat kan ik.” Het grindpad knarst onder zijn schoenen als hij langzaam verder loopt. “Ik heb genoeg water”, denkt Stefan hardop terwijl hij in zijn rugtas graait, “en m’n telefoon is opgeladen.” Zijn hoofd beweegt ritmisch van links naar rechts bij elke stap die hij zet. Zijn blik verwijdt zich terwijl de bomen als voorbijtrekkende schimmen vervagen met de torenflat nog scherp in het midden. “Het is nog maar een half uurtje. Ik ben er zo. Echt.” Zijn stappen worden groter en sneller. Ineens moet hij denken aan een rijmpje dat hij ooit als kind leerde toen hij in Duitsland op vakantie was.

 

“Eins, zwei, drei im Sauseschritt
gehen alle Kinder mit.
Der Stefan ist nun an der Reih
und läuft an uns vorbei.”

 

“Dat schiet op zo”, mompelt hij. Zijn armen en benen bewegen op het ritme van het rijmpje. Het rijmpje herhaalt zich als een mantra continu in zijn hoofd. Steeds sneller. “Eins, zwei, drei im… Eins, zwei, eins, eins…” Stefan hijgt. Stefan rent. Stefan versnelt. De torenflat wordt groter. “Ik ben bijna thuis”, verzekert hij zichzelf.